Translate

zaterdag 22 maart 2014

Mannen met oortjes tijdens Maastrichts carnaval



Carnaval is een sprookje. Mijn neef Richard was Prins Carnaval in 2008. Voor een Maastrichtenaar is dat het hoogst haalbare in het leven, het ambt van burgemeester valt hierbij in het niet. Richard vertelde onlangs over zijn ervaringen als prins voor een gezelschap van Maastrichtenaren in Amsterdam. Prins Carnaval zijn is keihard werken, zo was één van zijn boodschappen. De weken vóór het feest werd hij in beslag genomen door een veelheid aan ceremoniële verplichtingen.

Zoals het bezoek aan bejaardenhuizen. Wat Sinterklaas is voor de allerjongsten, is Prins Carnaval voor de alleroudsten. In de week dat de prins hen bezoekt, zijn zij in volle verwachting. Van het moment dat zij hem, de Hoechlöstigheid, de hand mogen schudden. Doorgaans klagen zij de hele dag over pijntjes hier en pijntjes daar. Zo niet in die week, dan hebben zij nergens last van, zo lieten de ouderenverzorgers Richard weten.

Een aantal weken geleden vierden wij weer carnaval. In Maastricht. Mijn beide broers uit het buitenland waren er ook. 




Als vanouds werd ik getroffen door dit volksfeest. Door de dominantie van het straatcarnaval. Die verandert de stad in een uitvergroot schilderij van Breughel.





Getroffen ook door de schoonheid en de creativiteit. Die komen vooral tot uitdrukking in de kostuums, pekskes, van de carnavalsvierders. Eigenlijk krijgen die te weinig aandacht. Ware kunstwerken, die pekskes, waar vaak weken of zelfs maanden noeste arbeid in is gaan zitten.




Carnaval is het feest van de milde ironie en de zelfspot. Het feest van het wegvallen van de sociale verschillen. Met het inluiden van de vastenperiode heeft het al lang niets meer te maken. Wel met het ruimte geven aan het zelfreinigend vermogen van de samenleving. Dit jaar was ik onder de indruk van de wijze waarop de Maastrichtse burgemeester Hoes verantwoording aflegde over zijn affaire. Dat deed hij niet in de gemeenteraad of in een interview met de NRC. Neen, dat deed hij tijdens een live uitzending op de lokale televisie.

Tijdens die uitzending droeg het Maastrichtse gemeentebestuur de macht over de stad over aan de prins. En passant worden de autoriteiten op de korrel genomen. Tout Maastricht wist dat de affaire dit jaar centraal zou staan. Met subtiele zelfspot overleefde Hoes die vuurdoop. Hij had zijn positie weer bevestigd. De lokale televisie met carnaval was daarvoor een belangrijker arena dan de gemeenteraad.

Dit jaar signaleerde ik één opmerkelijke verandering. Dat was niet het gegeven dat het dit jaar onnatuurlijk warm was voor carnaval. Vroeger als kind kwam je huilend thuis als je in de kou naar de optocht had gekeken. Die opmerkelijke verandering was evenmin de vaststelling dat het bier weer ietsje duurder was geworden.

Neen, bij de ingang van de café's signaleerde ik mannen met oortjes. Mannen uit de veiligheidsindustrie. Dat gaf een unheimisch gevoel. Die mannen staan er niet voor niets. Door hun loutere Dasein zorgen zij toch voor een subtiele dreiging. Ik kon hun aanwezigheid niet plaatsen. Carnaval is -in tegenstelling tot de jaarwisseling- niet het feest van de grote ongeregeldheden. Integendeel.

Dat nam niet weg dat ik ook dit jaar weer meezong. Met tranen in de ogen en uit volle borst. Vooral bij mijn drie favoriete liedjes.

https://www.youtube.com/watch?v=N6ROttrZ5hw

https://www.youtube.com/watch?v=Cof3Wm56AQU

https://www.youtube.com/watch?v=wiWB7f2JB7I



Paul Strijp, 23 maart 2014

woensdag 19 maart 2014

Kinderen moeten niet fitnessen



Dit jaar vindt in Den Haag het WK Hockey plaats. De hockeybond wil dit evenement aangrijpen om de positie van haar verenigingen te versterken. Dat doet de bond door een veelheid aan activiteiten. Eén van die activiteiten is om ouders en grootouders tijdens wedstrijden van hun hockeyende kinderen en kleinkinderen te laten hardlopen, fietsen of bridgen. Levenslang hockey heet dat.




Toen ik dit las, moest ik denken aan een artikel dat ik een kleine twintig jaar geleden publiceerde in NRC Handelsblad (http://www.nrc.nl/handelsblad/van/1996/maart/21/sport-moet-ook-flexibiliseren-7303620). De essentie van mijn verhaal: wil de sportvereniging in de toekomst overleven, dan moet zij een aanbod creëren met meerdere sporten en zich ook openstellen voor niet-leden. Flexibilisering van het aanbod noemde ik dat.

Laat ik mij vooral niets verbeelden. De hockeysport mag zich in deze richting van flexibilisering bewogen hebben, elk bezoek aan de voetbalvereniging van onze zoon leert mij dat er ook clubs zijn waarbij niets is veranderd. Bij sv Diemen dus. Daar wordt elk weekend door heel veel mensen gevoetbald zoals mijn vader dat vlak na de Tweede Wereldoorlog ook gedaan moet hebben. Niks meerdere sporten, niks openstelling voor niet-leden. Gewoon voetbal in het weekend voor mensen die contributie betalen. En nu komt de grap. De vereniging weet zich geen raad met de immense aanwas van nieuwe leden. Jongens van buiten Diemen worden noodgedwongen geweigerd. Hoezo is flexibilisering van het aanbod noodzakelijk om te overleven?



De sport beweegt zich dus in een landschap van eeuwige onveranderlijkheid en dynamische plooien. En de sporter? Die kan zijn eigen keuze maken. Wel of geen lid van een club, welke sport, welk tijdstip. In dat landschap zie ik mooie dingen om mij heen, maar ook dingen die mij treurig stemmen.

Mooi vind ik hoe iemand als de oud-topvoetballer Sjaak Swart op 75-jarige leeftijd nog vrijwel dagelijks een balletje trapt. De man heeft een puike conditie, een afgetraind lichaam en straalt in alles ontspanning uit. Swart speelt zelfs nog hele wedstrijden van twee keer drie kwartier.

Treurig word ik als ik 65-plussers 's avonds om tien uur een warming-up zie doen voor een wedstrijd indooratletiek. Met een verbetenheid alsof hun leven er van afhangt. "Ga wandelen, fietsen of biljarten", denk ik dan. Begrijp me goed, voor mij mogen mensen tot op 100-jarige leeftijd aan wedstrijdsport doen. Maar ik zou die mensen willen meegeven: doe dat alleen als de lichamelijke inspanning niet tot een verkramping leidt.

Treurig word ik ook als ik kinderen zie fitnessen. Iets in mij verzet zich tegen jongeren die in benauwde zaaltjes aan apparaten staan te trekken. Nauwlettend in de gaten gehouden door instructeurs omdat de risico's aanzienlijk zijn. Het zal de oude man in mij zijn, maar kinderen moeten niet fitnessen. Kinderen moeten buiten spelen en buiten sporten.

De flexibilisering van de sport is hier en daar wat doorgeslagen.



Paul Strijp, 19 maart 2014

zondag 16 maart 2014

Bord op schoot in de bioscoop



We wisten dat het spannend zou worden. Een maaltijd bestellen drie kwartier vóór aanvang van de film? Normaal gesproken zou dat moeten lukken. Maar die avond liep alles traag in het restaurant van Studio K. Dat kon je zien. Alle tafeltjes bezet, één of twee meisjes in de bediening en een keuken die aankeek tegen een groeiende lijst bestellingen. Tergend langzaam kroop de klok naar 19.20 uur, het aanvangstijdstip van de film L'amour est une crime parfaite.

Om kwart over zeven viel het doek: een hapje vóór de film ging het vanavond niet worden. Het meisje in de bediening wist van ons filmbezoek, maar deed alsof ze ons niet zag. Ons ongemak steeg met de minuut. Nu begint de reclame, dachten we weer vijf minuten later. Om drie minuten vóór half acht meldde het meisje zich aan ons tafeltje. "Loop maar met mij mee, jullie gaan lekker in de bioscoop eten".



V
anuit de zaal steeg een gelach op. Het meisje baande zich ferm een weg door de bioscoop en liet een klein spoor van patatjes na. Dat deerde haar niet. Zij wees ons onze plaatsen, serveerde twee maaltijden uit en liet ons weten dat ze het bestek nog zou gaan halen. Met dampende borden op onze schoot keken wij naar de voorfilm. Die avond at ik een biologische hamburger in het donker.


Paul Strijp, 16 maart 2014


maandag 10 maart 2014

Geen zorgen over lage opkomst verkiezingen



We rijden onze wijk binnen. Een aantal mensen kijkt mij van enige afstand indringend aan. Ze willen iets van me, zoveel is duidelijk. Ze willen mijn stem. Ik voel respect, argwaan en medelijden tegelijk voor deze politieke lijsttrekkers. Respect vanwege hun overgave aan de publieke zaak. Chapeau!

Argwaan omdat ik mij afvraag wie zij eigenlijk zijn. Ik ken hen niet, desondanks vragen ze mijn vertrouwen. De ultieme paradox: deze mensen moeten bij mij in de buurt wonen en toch zijn het vreemdelingen. Ik voel ook medelijden. Zoals ze erbij hangen op dat houten aanplakbord, treuriger kan bijna niet. De lokale democratie in deze verschijning maakt allesbehalve een wervende indruk.






Thuis tref ik vier stembiljetten aan. Ook twee van onze kinderen hebben inmiddels de stemgerechtige leeftijd bereikt. Ik voel mij ongemakkelijk. Wat moet ik antwoorden als zij vragen: "Pap, waarom moet ik stemmen voor de gemeenteraad?" Verder dan de democratische burgerplicht kom ik niet. En nog moeilijker wordt het als zij mij om een stemadvies vragen.

In de NRC van 7 maart lees ik Henk Hofland. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 19 maart zullen waarschijnlijk minder kiezers dan ooit verschijnen. Volgens Hofland bevindt onze samenleving zich in een routineus maar steeds wankeler evenwicht. Dat komt niet door de economische crisis of door de dreiging van terrorisme, maar door de afnemende geloofwaardigheid van ons politieke systeem. Dat is volgens hem ons onbesproken, geheime gebrek. Mijn ongemak neemt groteske vormen aan. Ik besluit op onderzoek uit te gaan. Hoe kan dit, waar komt deze crisis vandaan, wat vind ik er zelf van?


Belangrijk takenpakket

Wat wil de moderne burger eigenlijk in dit leven, zo vraag ik mij  als eerste maar eens af. Grofweg zou je kunnen zeggen: een dak boven zijn hoofd in een beetje veilige wijk, een baan met een redelijk inkomen, goed onderwijs voor zijn kinderen, fatsoenlijke voorzieningen om zijn vrije tijd plezierig door te brengen en een menswaardige oudedag. Zoiets.

Van al die behoeften neemt de gemeente vooral de voorzieningen voor haar rekening. Dat doet zij op twee manieren. In haar ruimtelijke plannen geeft zij aan waar wat komt. Waar de woningen, waar de bedrijventerreinen, waar het groen? En verder zorgt zij voor de totstandkoming van concrete voorzieningen voor sport, recreatie, bibliotheken, cultuur, zorg en veiligheid. Kort en goed: de gemeente gaat over de kwaliteit van onze directe leefomgeving. Voorwaar geen onbelangrijk takenpakket.



Alles is af

En toch wringt hier meteen de schoen. Die leefomgeving is -laat ik voor mijn eigen situatie spreken- soms gewoon af. De voorzieningen zijn gerealiseerd, het beheer en onderhoud op orde. Er valt gewoon niets meer te kiezen. En dat is toch waar politiek over gaat: keuzes maken. Keuzes zijn alleen nog aan de orde als er een asielzoekerscentrum in de buurt moet komen. Of wanneer een pedofiel moet worden gehuisvest. Dat is een inbreuk op de bestaande orde, dan verenigen de burgers zich, dan en alleen dan ronken de camera's in de raadzaal.

De politieke issues die voor de komende verkiezingen in mijn gemeente spelen, hebben dan ook weinig impact. Of ze zijn een ver-van-mijn-bed show omdat ze betrekking hebben op een ander deel van de stad waar je als burger geen enkel beeld of gevoel bij hebt. Het opheffen van buslijn 46, fair trade producten bij gemeentelijke inkoop, een horecavoorziening bij een bos, de bibliotheek ook op zondag open. Ik chargeer een beetje, maar het zijn zaken die voor de gemiddelde burger in het niet vallen bij zaken als studiefinanciering, kinderbijslag of de uitzending van een militaire missie naar het buitenland. Kan ik het mijn buurman kwalijk nemen als hij niet gaat stemmen?


Democratie verplaatst

Daar komt bij dat de gemeente niet meer gaat over veel belangrijke zaken in die directe leefomgeving. De lokale democratie heeft zich de afgelopen decennia verplaatst. Naar de corporaties, naar het onderwijs, naar de haarvaten van de sportvereniging en in de nabije toekomst naar de zorginstellingen. Maar ook naar het regionale niveau waar steeds ingrijpender beslissingen genomen worden over de jeugdzorg. En niet te vergeten naar initiatieven van burgers zelf. Initiatieven voor particulier opdrachtgeverschap voor hun woningen of voor stadslandbouw. Op al die niveaus worden tegenwoordig de beslissingen genomen die burgers echt raken. Ook wordt daar de macht gecontroleerd.

Een minderheid maakt zich druk en gaat stemmen. Ik behoor hier ook toe. Keurig zal ik mijn stem uitbrengen op de partij die mij al vele jaren landelijk het meest aanspreekt. Ik voel mij brave burger, gedreven door gewetensnood. Maar hoe langer ik er over nadenk, hoe meer ik mij afvraag: kan ik het mijn buurman kwalijk nemen als hij niet gaat stemmen? Of moet ik boos worden op mijn kinderen als ze dat niet doen?


De burger vindt zijn weg wel

In tegenstelling tot Hofland ben ik niet pessimstisch. Misschien moeten we wel gewoon genoegen nemen met die lage opkomstcijfers. We hebben het te goed, we zijn verwend, we komen niet meer in beweging. In hoeverre is het een probleem dat we een door een minderheid gekozen politieke elite laten besturen in tijden waarin er niets meer te besturen valt? De burger vindt zijn weg wel naar de instituties die er voor hem echt toe doen. Hij spreekt de corporatiedirecteur, de leraar of de trainer heus wel aan. Vaak gewapend met een informatievoorsprong die hij aan het internet ontleent.


Overleefde verkiezingen

Democratie is een organisch proces. Dat bestaat al meer dan tweeduizend jaar. Democratie ijlt na, maar past zich uiteindelijk altijd aan. De gemeenteraadsverkiezingen in hun huidige vorm hebben zichzelf overleefd. Ze gaan nergens meer over. Een meerderheid heeft dat al lang in de gaten en blijft thuis, een kleine elite maakt zich er nog zorgen over. Over vijftig jaar zal de democratie weer een wat andere vorm hebben aangenomen. Dat is niet ons gebrek, dat is onze kracht!


Paul Strijp, 10 maart 2014

zaterdag 1 maart 2014

Blog pour blog






De huishoudelijke en administratieve verplichtingen schreeuwen om aandacht. Ik negeer hun noodkreet. Mijn blog en ik, die twee vormen mijn micro-kosmos. Alles daarbuiten is van nul en generlei waarde. Niet dat er iemand op mijn schrijfsels zit te wachten, in die zin is bloggen een prettig autistische bezigheid. Bij het schrijven heb je genoeg aan jezelf. Schrijven is een volstrekt autonome ervaring met een hoge innerlijke bevrediging. Je treedt buiten jezelf. En als je blog af is, heb je het gevoel een klein kunstwerkje te hebben gecreëerd. Het interesseert me niets wat de anderen ervan vinden.


Dat ongeveer moeten de Tachtigers, een literaire stroming aan het einde van de negentiende eeuw, hebben bedoeld met hun l'art pour l'art. De kunst vindt in zichzelf haar enige doel. Zij mag niet de verpakking vormen van iets anders, een zedelijke les of religieuze boodschap. Niet dat wat ik schrijf in de verste verte op kunst lijkt, maar vrij naar die Tachtigers fantaseer ik over mijn blog pour blog.


Ondertussen moet ik denken aan Pascal Mercier. De gevierde auteur van het prachtige Nachttrein naar Lissabon. In een interview zei hij ooit dat hij net zo lief zijn boeken niet had gepubliceerd. Louter het schrijven was voor hem een bron van gelukzaligheid. Met als uitsmijter: "Succes gaat over wat anderen van jou denken. Het vervreemdt je van jezelf". Mercier heeft de waardering van zijn lezers dus eigenlijk niet nodig.


De realiteit leert mij dat ik nog ver verwijderd ben van deze autonome staat van zijn. Ik betrap mezelf op een sterke nieuwsgierigheid naar het aantal mensen dat mijn blogs gelezen heeft. Dat heet: het aantal pageviews. Elk onbewaakt ogenblik benut ik om mijn dashboard met pageviews te raadplegen. Ik voel dat Mercier met mij meekijkt. Fluisterend zegt hij: "Moet dat nou, Paul? Het aantal pageviews is toch volstrekt onbelangrijk". Toch kan ik het niet laten. Ook mijn gezin ziet het kind in mij, op zoek naar waardering en dat tezelfdertijd ontkennen.



 



Weerloos slinger ik heen en weer tussen mijn dashboard en Pascal Mercier.


Paul Strijp, 1 maart 2014

donderdag 27 februari 2014

Mijnheer De Vries heeft geen keuze



Op de wereldmarkt is ten hoogste plaats voor vijf computers. Was getekend Thomas J. Watson, de hoogste baas van IBM, in 1943. Bill Gates beweerde in 2004 dat spam binnen twee jaar tot het verleden zou behoren. Hoe vaak verkneukelen we ons niet over voorspellingen die niet zijn uitgekomen? En dan heb ik het niet eens over de talloze uitspraken over het naderende einde van de wereld. Neen, juist van verkeerde voorspellingen van serieuze autoriteiten genieten we volop. Zo hoorde ik onlangs dat het CBS er vroeger vanuit ging dat onze bevolking vanaf het jaar 2000 zou krimpen naar 15 miljoen inwoners. Ons land telt er nu bijna 17 miljoen. Het gezelschap waarin ik verkeerde, gniffelde in zijn vuistje. Ach ja, dat CBS ook, was de stemming.


Dit mag allemaal waar zijn, er zijn ook voorspellingen die wel uitkomen. De laatste tijd moet ik vaak denken aan de jaren negentig. De jaren waarin het Internet zijn opmars maakte. Ik werkte toen bij de Belastingdienst. Een dienst die volop investeerde in technologische vernieuwing. Die vernieuwing werd begeleid door een welhaast ideologisch geloof: het geloof in mijnheer De Vries. Mijnheer De Vries was een fictief personage, bedacht door onze directeur Jenny Thunnissen. Hij figureerde in alle speeches van de top van de dienst. Mijnheer De Vries was een futuristische metafoor: een belastingplichtige in het jaar 2010. Die kon moeiteloos vanachter zijn pc midden in de nacht aangifte doen via een vooringevuld aangifteformulier. Halverwege de jaren negentig was dat een nauwelijks te vatten toekomstbeeld.


Orakels die geen orakel bleken

Maar er waren in die tijd, zo herinner ik me, ook opiniemakers en commentatoren met ingrijpende toekomstbeelden. Maurice de Hond die ik eens op een symposium hoorde orakelen dat werk en privé in de toekomst innig vervlochten zouden zijn. Paul Frissen die beweerde dat het digitale domein even belangrijk zou worden als het fysieke. Zeg maar: virtuele ontmoetingen zouden in belang niet onder doen voor die waarbij we elkaar echt ontmoeten. En Kevin Kelly die in zijn boek The New Economy beweerde dat we allemaal met steeds kleiner wordende apparaatjes ons leven zouden vergemakkelijken. Ik had er allemaal weinig voorstelling bij.


En nu, een kleine twintig jaar later. We zijn allemaal een mijnheer of mevrouw De Vries geworden. Ik moet nog vaak aan onze Jenny denken. Wat had ze een visionaire blik! En Paul Frissen schiet door mijn hoofd als ik lees dat mensen op Internet verliefd worden, bijvoorbeeld bij een spelletje WordFeud, zonder dat ze elkaar ooit gezien hebben. Of dat studenten op dezelfde gang van een studentenhuis elkaar nooit ontmoeten, maar alleen via Facebook communiceren. Of dat jonge mensen met een gebrek aan zelfvertrouwen, op internet een sterke identiteit ontwikkelen in een groep waarvan ze de leden niet eens kennen. Allemaal realiteit tegenwoordig. Een realiteit waar niemand nog van opkijkt.



Voorspellingen die al werkelijkheid zijn

En ook vandaag de dag worden we getrakteerd op voorspellingen over onze wereld over twintig jaar. Mij valt op dat veel daarvan al realiteit zijn. De Hema verkoopt nu al sieraden vervaardigd door een 3D-printer. De Google-bril bestaat al, het is alleen de vraag wanneer hij massaal op de markt komt. En in Amerika rijden al auto's-zonder-chauffeur rond. Met sensoren zodat ze niet op andere voertuigen botsen. Onze parketboer beweerde onlangs dat je over een aantal jaren binnen anderhalf uur in Australië kunt zijn. Met een raket dwars door de dampkring. Ik knipperde met mijn ogen. Dat was pas echte toekomstmuziek. Welnee, het kan nu al. Zo'n vluchtje is alleen nog een beetje duur: 70.000 euro. Het lijkt wel alsof er geen voorspellingen meer bestaan. Alles is al realiteit.

Wat moet de gewone sterveling, zeg maar mijnheer De Vries, nu met deze inzichten? We mogen er af en toe met onze voorspellingen misschien naast zitten, zie de voorbeelden van Watson, Gates en het CBS. Maar ga er maar vanuit dat de wereld nog even doordraait en dat de techniek onverschrokken doordendert, zou ik zeggen. Daarbij stemmen de woorden van Sterre van Leer in Psychologie Magazine tot nadenken.

"De laatste eeuw staat bol van de tijdbesparende vondsten, maar toch zijn onze dagen steeds voller geworden. Want hoe gaat dat met veelbelovende uitvindingen? Ze nestelen zich comfortabel in ons leven en beginnen dan eisen te stellen. (...) We hangen als patiënten aan ons mobiele infuusje, koortsachtig scrollend om geen mailtje of facebookupdate te missen. Een beetje niksig naar buiten staren is er niet meer bij. Moeten we alles willen wat straks kan? Of moeten we eerst eens goed bedenken wat we willen?"

Voor mijnheer De Vries heb ik een wens en een vraag. Ik wens hem toe dat hij regelmatig niksig uit het raam staart. Al is het maar om van het moment te genieten en aan de bereikbaarheidsterreur van Van Leer te ontsnappen. Maar stel dat hij haar advies opvolgt en dan bedenkt wat hij werkelijk wil. En stel dat hij tot het inzicht komt dat hij niet mee wil doen aan al die technologische vernieuwingen. Wat moet de beste man dan, welke opties heeft hij? Kan hij ontsnappen aan de ratrace van de techniek? Heeft hij wel een keus en zo ja tegen welke prijs? Die prijs is toch al snel een zelfverkozen isolement of een leven als een kluizenaar. En tot wie kan hij zich eigenlijk richten? Een brief schrijven aan Google? Aan het parlement, de Ombudsman?


Het klinkt dus mooi wat Sterre van Leer schrijft: eerst eens goed bedenken wat we willen. Maar met mijn eigen ervaringen van de afgelopen twintig jaar vrees ik dat de technologische ontwikkelingen ook nu weer over mijnheer De Vries heen zullen walsen. En hem uiteindelijk weinig echte keuze laten.


Paul Strijp, 27 februari 2014

zaterdag 22 februari 2014

De facteur, hij ploetert voort



The second Machine Age. Een recent verschenen boek dat de mensheid de stuipen op het lijf jaagt. De auteurs Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee beweren dat de computer de komende twintig jaar wereldwijd de helft van alle werkgelegenheid zal doen verdwijnen. Met weemoed stel ik vast dat ook de postbode zijn baan zal verliezen. Daarbij moet ik aan mijn moeder denken die zich ooit liet ontvallen: "Het leven is ploeteren".




Zomervakantie 2001. Met ons jonge gezin zaten wij op een camping in Cadenet, een plaatsje in de Provence in Frankrijk. Ik zat er een beetje doorheen. Geen burnout, niet overspannen, maar gewoon een beetje er doorheen. U kent dat wel. Druk als vader, druk op het werk. Ik droomde van een baan als facteur in de Provence. Weg uit die overspannen Nederlandse samenleving met haar prestatiedruk en informatie-overvloed.

Daarvoor in de plaats kwam een weinig reëel verlangen naar een baan als postbode in Frankrijk. Elke dag een prettige hoeveelheid te bezorgen brieven, geen overdreven werkdruk, struinen door de lavendelvelden, op gezette tijden een praatje maken met de mensen. Met een wijntje erbij natuurlijk, want de droom leidde niet voor niets naar Frankrijk.



Mijnheer, ik heb geen tijd om te wachten

Twee weken na thuiskomst van die vakantie ontmoette ik een kennis uit Diemen. Een jongen die als postbode werkte. Ik vertelde hem van mijn dromen. In één klap ontnam hij mij alle illusies. Hij had net ontslag genomen: te veel stress. Zijn nieuwe toekomst lag bij Holland Casino.

Aan deze geschiedenis moest ik vorige week denken toen een medewerker van PostNL bij ons aanbelde. Hij bezorgde de gerepareerde mobiele telefoon van onze zoon. De beste man vroeg het toestel dat mijn zoon tijdelijk in leen had gekregen terug. Die kon ik niet meteen vinden, waar had hij die nu gelegd? Ik nam uitgebreid de tijd om die eens rustig in huis te gaan zoeken. De PostNL-werknemer raakte meteen in een kramp. "Mijnheer, ik heb geen tijd om te wachten. Ik moet meteen naar een volgende klant. En ik neem het gerepareerde toestel weer mee terug". En weg was hij. De stress als postbode is er de afgelopen dertien jaar niet minder op geworden, zo schoot door mijn hoofd.


 
Arbeidsmarkt als een zandloper

Brynjolfsson en McAfee stellen dat er uiteindelijk alleen aan de top en aan de onderkant van de arbeidsmarkt banen zullen overblijven. Net als bij een zandloper. Aan de top is nog wat plaats voor een beetje management en wat creatievelingen. Mensen van wie het werk niet door een computer overgenomen kan worden. Aan de onderkant blijven alleen laagbetaalde banen over. Voor schoonmakers bijvoorbeeld.

De grote klappen vallen bij de middenbanen. Bij bankbediendes, kantoorklerken, caissières, medewerkers van callcenters, verkopers, belastingadviseurs, fabrieksarbeiders, meterstandopnemers, maar ook leraren en artsen. Zij allen zullen hun baan verliezen. De computers nemen hun denkkracht over en doen het in the end dus beter.



Gezocht: dienstverleners met tijd voor een praatje

Stiekem hoopte ik dat de postbodes tot de onderkant van de zandloper zouden behoren. Geen al te fortuinlijk bestaan, maar wel behoud van hun werkgelegenheid. Maar neen, volgens de auteurs moeten ook zij eraan geloven. Postbodes hebben nu dus al een moordende werkdruk en ontberen verder elk toekomstperspectief. Hoe moet dat met mij? Stel, ik zit er ooit weer eens doorheen. Zoals in Cadenet. Op welk ander beroep kan mijn romantische verlangen naar dienstverleners met tijd voor een praatje, zich dan richten? Zijn die beroepen er überhaupt nog wel?

Ondertussen denk ik aan mijn moeder. En de facteur? De facteur, hij ploetert voort in dit leven.


Paul Strijp, 22 februari 2014