Translate

zaterdag 16 augustus 2014

ANWB, einde van een religie



Mijn vader droeg vroeger, toen hijzelf nog auto reed, het bedrijf op handen. Vertrouwen, veiligheid, vriendelijkheid. Dat waren de waarden die de ANWB voor hem vertegenwoordigden. Soms deed zijn geloof in het bedrijf mij aan een lichte vorm van religie denken. Een enkele keer bestelde hij de Wegenwacht voor de deur zonder dat hij daadwerkelijk pech met zijn auto had. Gewoon, het gevoel dat dat gele autootje hem gaf in combinatie met de vriendelijkheid van het personeel. De ANWB die net onder God stond.







Die religie heeft hij op mij overgedragen. En ik moet zeggen: dat is hem redelijk gelukt. Op mijn achttiende (!) werd ik lid, inmiddels heeft mijn lidmaatschap de platina status. En als we in die 33 jaar op vakantie gingen, dan hadden we de reis- en kredietbrief geregeld voordat de vakantiebestemming gekozen was.

Ik kan u melden dat ik afgelopen zomer keihard van mijn geloof ben gevallen. De ANWB brengt u verder, zegt de ANWB op televisie over zichzelf. De ANWB brengt u helemaal niet verder. De details zal ik u besparen, maar de ANWB laat haar platina leden in de kou staan, komt afspraken niet na en heeft een telefonische dienstverlening die af en toe hilarisch is.

Hoe vertel ik het mijn vader?

Paul Strijp, 16 augustus 2014











donderdag 14 augustus 2014

Dafne Schippers, supervrouw vanwege haar vergevingsgezindheid



Zonder dat we het zelf in de gaten hadden, waren we getuige van een groots sportmoment. Dat moment leek te zitten in de verbetering van een Nederlands record, maar was eigenlijk veel subtieler. Wat was er aan de hand?

Het Olympisch Stadion in Amsterdam, een aantal weken geleden. Het Nederlands Kampioenschap Atletiek. Wij zaten op de hoofdtribune, wachtend op de 400 meter van onze dochter. Vanaf die plek word je vermaakt, overal zie je topatletiek. Pal vóór ons speelde zich het verspringen af. Als Dafne Schippers springt, ga je er natuurlijk even goed voor zitten. Haar eerste sprong was meteen overweldigend, gejuich vanaf de tribune. Iedereen in afwachting van de gesprongen afstand. Maar die afstand kwam maar niet. Niemand begreep waarom. Lichte irritatie bij de topatlete, maar zonder al te veel morren zette ze aan voor haar volgende sprongen. En die waren fenomenaal! Haar vijfde sprong bedroeg 6.78 meter, een verbetering met drie centimeter van het nationaal record dat al achttien jaar stond. Vreugde alom! Ik prees me gelukkig dit moment te hebben meegemaakt.






Een dag later was ik toevallig bij een persconferentie van kinderen, in datzelfde Olympisch Stadion. Jonge pupillen interviewden Dafne Schippers. "Wat gebeurde er gisteren bij die eerste sprong, Dafne?", werd haar gevraagd. "Oh, een vrijwilliger had het zand al geëgaliseerd voordat mijn afstand was gemeten", antwoordde zij nuchter. Dat is toch een ultieme nachtmerrie voor een jury. "En wat vond je daarvan?", wilde een van de pupil-journalisten dan ook wel eens weten. "Och ja, ik vond het niet leuk, maar iedereen maakt wel eens een fout",  zei ze weer even nuchter.

Wat een kanjer, die Dafne. De gemiddelde topsporter zou na zo'n vergissing enorme stampei hebben gemaakt. Zou geprotesteerd hebben bij de jury en stampvoetend de baan hebben verlaten. Zij niet. Natuurlijk baalt zij heel even, maar zij laadt zich vervolgens op, vraagt het publiek om haar aan te moedigen en springt een record aan flarden.

Dafne Schippers is ons nieuwe nationale sportidool. Niet vanwege haar prestaties, maar vanwege haar vergevingsgezindheid naar al die mensen die een kampioenschap mogelijk maken.


Paul Strijp, 14 augustus 2014


woensdag 13 augustus 2014

Mam, is materiële pech echt geen pech?



De belangrijkste levenswijsheden krijg je mee van je ouders. Zo leerde ik al vroeg van mijn moeder: "Jongen, materiële pech is geen pech". Een wijsheid die wij weer op onze kinderen hebben overgedragen. Elk verdriet of zelfmedelijden rondom een defecte computer bijvoorbeeld, bestraffen zij genadeloos met deze woorden. "Pap, zoals oma altijd zegt: .....".







De afgelopen vakantie zijn deze woorden regelmatig door mijn hoofd geschoten. Toen wij voor de derde keer in een week met autopech werden geconfronteerd, de ANWB ondanks vele toezeggingen maar niet terugbelde, wij op een goed moment met drie kinderen en een hond op straat stonden omdat ons huurcontract was afgelopen en alle garages in Frankrijk gesloten waren, de stress er niet bepaald minder op werd, de kosten heel langzaam maar gestaag de pan uitrezen, toen dus.

Toen heb ik mij wel eens stampvoetend afgevraagd: "OK lieve moeder, inderdaad, wij leven nog allemaal en met onze gezondheid is niets mis, maar is deze materiële ellende nu echt geen pech?". En nu wij weer allemaal thuis zijn, gezond en wel, denk ik: neen, dit was inderdaad geen pech. Dit mocht geen naam hebben, wij hadden hooguit een beetje tegenslag.

Levenswijsheden van moeders verdampen niet.

Paul Strijp, 13 augustus 2014

dinsdag 5 augustus 2014

Radeloosheid van een jonge vader



Het hele tafereel duurde nauwelijks vijf minuten. Hij deed zichtbaar zijn best om een betrokken jonge vader te zijn. Een Fransman van een jaar of dertig. Op de camping. Had net een partijtje tafeltennis gespeeld en zat nu op een bankje te staren naar zijn e-reader. Lezen was het niet wat hij deed, eerder wezenloos naar zijn apparaatje turen. Vermoeid, oververmoeid liep hij het grasveld op. Gaf plichtmatig een knuffel aan zijn zoontje van drie, wisselde een paar woorden met zijn partner en legde wat spullen in de auto. Daarna trapte hij tegen een bal, zielloos. De bal ging drie meter naast het doel. Deed er ook niet toe, hij had net zo goed niet kunnen trappen.




Misschien had de man andere zorgen aan zijn hoofd, maar zo te zien viel het vaderschap hem zwaar. Totale verveling en radeloosheid, zinloosheid van het bestaan ook wel. Zo leek het.

Uit eigen ervaring weet ik dat jonge vaders vermoeider zijn dan oudere vaders. De tijd van onze Fransman komt nog wel. Of vormen die radeloosheid en dat zoekende nu juist een blijvend en essentieel onderdeel van ons bestaan?

Paul Strijp, 5 augustus 2014

Alleen Nederlanders hebben pech



De man zat al heel wat jaren in het vak. Het vak van verhuurder van een groot huis in de buurt van Fontainebleau. Samen met zijn vrouw. Maar dit had hij duidelijk nog nooit meegemaakt. Huurders uit Nederland die een week zouden blijven, maar vanwege autopech twee dagen later arriveerden. Die halverwege de week voor een ander defect diezelfde auto naar een garage moesten laten verslepen. En die bij vertrek, aan het einde van hun week, niet konden vertrekken vanwege .... ja juist, een derde tekortkoming aan hun voertuig.




Hij moest zijn houding bepalen ten opzichte van ons. De koele zakelijkheid van een verhuurder en de medemenselijkheid zoals je die ook wel naar vluchtelingen betracht, streden om de voorrang. In de hulpvaardigheid waarmee hij ons al die dagen van vervoer heeft voorzien, won die medemenselijkheid het royaal.

Zijn laatste woorden zal ik nooit vergeten. "Wij krijgen al vele jaren gasten uit vele landen. Fransen en Duitsers hebben nooit pech. Scandinaviers vliegen altijd, net als de Amerikanen, de Canadezen en de Australiërs. Alleen de Nederlanders hebben altijd pech".

Met mijn onderhoudsbeurten en mijn APK- keuring netjes op zak, vroeg ik mij af: wat doen wij in Nederland verkeerd?

Paul Strijp, 5 augustus 2014

Collega op de camping



Het was een kleine camping. Zo'n camping waar je elkaar onmogelijk kunt vermijden. Een centraal huis met wat kamers en verder een handjevol tenten. Ik boog me voorover om het pingpong-balletje op te rapen. En in de verte zag ik haar lopen, onmiskenbaar. Een collega, in het dagelijkse werk niet zo heel veel contact mee, sympathiek.




Direct schoot het scenario voor de resterende twee dagen op deze camping door mijn hoofd. Onmogelijk om elkaar te ontlopen, dus een praatje over het werk, de vakantie tot dusver en de verdere plannen, kennismaking met de rest van het gezin. En het ergste van alles: in zwemkleding samen aan de rand zitten van dat kleine bad en de ander baantjes zien trekken. Ik wil me voor de hele wereld in mijn zwembroek vertonen, maar niet voor een collega. En dan dat onvermijdelijke: "Heerlijk hè, geniet er nog maar van, want volgende week moeten we weer gewoon aan het werk".

Daar had ik allemaal geen zin in. Vraag me niet waarom, want nogmaals: dit was een sympathieke collega. Maar ik had er gewoon geen zin in. We hebben elkaar niet ontmoet. Als een mensenschuw persoon heb ik haar gangen gevolgd. Vanachter het raam van onze kamer, vanuit mijn ooghoeken tijdens het tafeltennis, vanachter de struiken bij de parkeerplaats.

Volgende week ontmoet ik haar op kantoor. Dan groet ik haar vriendelijk. En als ik het lef heb, informeer ik belangstellend naar haar vakantie.

Paul Strijp, 5 augustus 2014

dinsdag 29 juli 2014

Onze hond en ik



Komend najaar is het zeven jaar geleden dat wij onze hond kregen. Voor mij had dat niet gehoeven, het beestje werd mij door ons gezin beschaafd door de strot gedrukt.





En toen wist ik nog niet eens dat Joy bij een ontsteking vreselijk uit haar oren kan stinken. Dat de kleine lettertjes van de verzekering vrijwel geen reguliere behandelingen voor haar vergoeden. Dat zij met haar 25 kilo tijdens het uitlaten onbedaarlijk hard kan trekken en soms ook -ja, gek genoeg- postbodes wil aanvallen. Dat ik elk talent als hondenfluisteraar ontbeer, Joy dat haarfijn aanvoelt en zij mij leidt in plaats van andersom. Dat zij ook wel eens diarree heeft en dan midden in de nacht naar buiten moet. Dat het kenmerk van diarree het repeterend karakter is en dat je er dan dus ook meerdere malen per nacht uit moet. Dat zij tijdens een onbewaakt ogenblik drie biefstukken tegelijk uit de pan grist. Dat we vijf keer per dag moeten stofzuigen als onze Joy in de rui is en dat we dat natuurlijk niet doen. Dat Joy ervan geniet om zich door de poep van andere honden te wentelen en die geur wel drie dagen met zich mee kan dragen. En dat zij bezoekers zeer luid begroet en haar enthousiaste geblaf een gesprek gedurende de eerste minuten onmogelijk maakt.




Elke ochtend als ik mijn boterhammen smeer tippelt Joy de trap af naar beneden. Met haar grote ogen kijkt zij mij smekend aan. Net iets te lang houd ik een lapje vlees in mijn handen. Joy geeft een pootje. Joy kwijlt. Als ik het lapje laat vallen, vangt zij het op en laat haar dat smaken. Tevreden gaat zij weer naar boven. Dit is mijn dagelijkse moment met Joy. Dat hebben de anderen niet.

Ik kan Joy niet missen.

Paul Strijp, 29 juli 2014